Reglementen FNMB

Hoofdstuk VII  -  Spelregels1

laatstelijk bijgewerkt op 8 Maart 2008


  1. Algemeen
    Midgetgolf wordt gespeeld met ballen en sticks op midgetgolfbanen. Doel van het spel is de bal met zo weinig mogelijk slagen vanaf de afslagmarkering in het doel van de desbetreffende baan te spelen.
  2. Balkeuze/slag
    1. Voor het bespelen van een baan is maar één bal per speler toegestaan.
    2. Een bal die bij het bespelen van een baan zo sterk beschadigd wordt dat deze naar mening van een lid van de scheidsrechters-commissie niet meer verder gespeeld kan worden, of een verloren gegane bal (die niet binnen vijf minuten gevonden wordt), wordt onder berekening van één strafslag vervangen. De volgende slag wordt gedaan vanaf de plaats waar de verloren of beschadigde bal het laatst heeft stilgelegen.
    3. Ter voorbereiding van een slag moet de bal met de hand of de stick op het speelveld worden geplaatst.
    4. De zich in het spel bevindende bal mag alleen door een slag met de stick in beweging worden gezet. Hij mag alleen gespeeld worden als hij stil ligt en alleen door de stick worden geraakt op het moment van de slag.
    5. Voor iedere slag moet de slaghouding worden aangenomen. De stick moet met beide handen worden vastgehouden (uitgezonderd spelers die dispensatie hebben).
    6. Een slag is uitgevoerd, als de stick bij het slaan de bal raakt en deze daardoor in beweging is gezet.
      1. 'In beweging is gezet' betekent: de bal verlaat zijn ligplaats.
      2. Uitzondering bij het eventueel aanwezig zijn van een 'long shot': een slag is uitgevoerd wanneer de bal door de inwerking van de slagbeweging, ook zonder aanraken van de bal, zijn ligplaats verlaat.
    7. Slagen worden berekend als de bal in het spel is. Het niet opzettelijk aanraken van de bal, zonder duidelijk te willen slaan, geldt niet als slag.
  3. Slagaanvang
    Het begin van de slag is het ogenblik waarop de speler, na het richten van de stick, deze van de bal verwijdert om de bal te slaan. Wanneer men bij het richten, per ongeluk, met de stick de bal raakt, wordt dat niet als slag aangemerkt. Elke andere vorm van aanraken van de bal wordt wel als slag aangemerkt, ook als men de bal raakt met de stick wanneer men de zogenaamde concentratie?beweging boven of achter de bal uitvoert.
  4. Bal in het spel
    Een bal is in het spel:
  5. Slagen
    Elke slag wordt ook als slag geteld. Heeft de bal na zes slagen het doel niet bereikt, dan wordt één strafslag berekend. Het hoogste aantal slagen per baan is zeven, buiten eventuele strafslagen.
  6. Speelvolgorde en het spel op een baan
    1. De banen moeten in elke ronde worden bespeeld in de volgorde 1 t/m 18.
    2. Een baan mag bespeeld worden als de voorganger zijn spel heeft beëindigd en de baan heeft verlaten.
    3. Binnen één ronde moet de volgorde van de spelersgroepen gelijk zijn (m.u.v. barrages). Een volgende baan mag pas bespeeld worden als de laatste speler van de desbetreffende spelersgroep zijn spel op de voorgaande baan heeft beëindigd.
  7. Afslag en uitleggen
    1. Bij iedere baan moet de bal bij aanvang van het spel, of als de bal de grenslijn niet of niet correct heeft gepasseerd, vanaf de afslagmarkering gespeeld worden. In alle andere gevallen moet de bal, rekening houdend met de volgende regels, verder gespeeld worden vanaf de plaats waar hij is blijven liggen:
      1. Passeert de zich in het spel bevindende bal op correcte wijze de grenslijn en komt daarna achter de grenslijn tot stilstand, wordt hij met inachtname van de uitlegregels, vandaar verder gespeeld waar de bal is blijven liggen.
      2. Verlaat de zich in het spel bevindende bal de baan nadat hij de grenslijn correct heeft gepasseerd, dan moet verder worden gespeeld vanaf de plaats waar hij de baan heeft verlaten.
      3. Passeert de zich in het spel bevindende bal een volgende hindernis op incorrecte wijze, dan wordt hij, met inachtname van de uitlegregels, vanaf een punt vóór de hindernis verder gespeeld en wel vanaf die plaats waar hij zijn correcte loop heeft beëindigd.
      4. Blijft de zich in het spel bevindende bal bij een hindernis of baanbegrenzing liggen, dan mag hij, alleen met de hand, haaks worden uitgelegd en wel zover als dit voor de voorbereiding van de nieuwe slag noodzakelijk is, vanaf de hindernis maximaal 30 cm in de speelrichting, in alle andere gevallen maximaal 20 cm vanaf de baanbegrenzing.
      5. Is de zich in het spel bevindende bal in een hindernisopbouw blijven liggen, dan moet hij worden uitgelegd in de richting van waaruit hij is gekomen.
      6. Loopt de zich in het spel bevindende bal weer terug over de grenslijn en komt daar tot rust, dan wordt verder gespeeld vanaf de plaats waar de bal als laatste de grenslijn gepasseerd heeft, dit met inachtname van de uitlegregels.
    2. De plaats van een uitgelegde, of verplaatste bal mag voor de slag niet nogmaals veranderd worden.
    3. Mag een baan enkel vanaf de afslagmarkering gespeeld worden, dan moet elke slag vanaf de afslagmarkering uitgevoerd worden. De bal moet met zijn raakvlak de markering nog raken.
    4. Wordt de bal uitgelegd tot op de afslaglijn dan dient het raakpunt van de bal de afslaglijn te raken (Figuur 7a). Komt een bal tot rust bij een band of hindernis dan mag hij uitgelegd worden in een rechthoekig vlak (zie Figuur 7b). 


  8.  

     

     

     

     

     

     

     


    Figuur 7       Uitleggen

  9. Hindernissen
    Hindernissen moeten op de voorgeschreven wijze genomen worden. Een hindernis is gepasseerd, als de bal met zijn raakvlak de grenslijn raakt of geraakt heeft.
  10. Het doel
    Het doel is bereikt als de bal daarin tot rust is gekomen. Verklaring: 'tot rust gekomen' betekent: de bal kan op eigen kracht het doel niet meer verlaten.
  11. Einde spel
    Het spel op een baan is beëindigd, als de bal het doel heeft bereikt, of als het maximaal toegestane aantal van zes slagen is gedaan (zie ook Art. VII.5).
  12. De loop van de bal
    1. Een speler mag de op de baan liggende en zich in het spel bevindende bal alleen met de hand aanraken onder controle van een medespeler of baanrechter (uitgezonderd het uitleggen of verplaatsen van de bal op de daarvoor bestemde markering). Wordt de bal weggenomen om te worden gereinigd dan moet de plaats van waar de bal is opgenomen, duidelijk worden gemarkeerd. Het opwarmen of afkoelen van een zich in het spel bevindende bal is niet toegestaan, nadat de bal de grenslijn correct gepasseerd heeft.
    2. Voor het reinigen van het speelveld is iedere speler zelf verantwoordelijk. Het is toegestaan om plotseling op de baan gevallen bladeren of takken ook tijdens de loop van de bal van de baan te verwijderen.
    3. De loop van de zich in het spel bevindende bal mag na de slag niet door de speler of door een andere persoon beïnvloed worden (windafscherming buiten de baan is toegestaan mits deze stationair opgesteld zijn tijdens de loop van de bal).
    4. Wordt de loop van de zich in het spel bevindende bal door invloed van buitenaf (geen weersinvloeden) veranderd, dan moet een lid van de scheidsrechters-commissie, zonder benadeling of bevoordeling van de speler, een nieuwe slag vaststellen (alleen indien de speler dit vraagt).
    5. Heeft de bal duidelijk stilgelegen en wordt hij door beïnvloeding van buitenaf weer in beweging gezet, dan moet hij teruggeplaatst worden naar het laatste rustpunt.
  13. Betreden van het speelveld
    Het speelveld mag principieel niet betreden worden als de bal nog in beweging is.Verder mag het speelveld alleen dan worden betreden als dit is toegestaan.
  14. Straffen
    Straffen voor overtredingen van deze spelregels zijn vastgelegd in het reglement 'Strafmaatregelen bij alle evenementen'.
  15. Aanvullende spelregels per baansysteem
    1. Afdeling 1
      1. Bongni
        1. Baan 1
          De hindernis geldt als gepasseerd, wanneer de bal met zijn raakvlak de grenslijn, 50 cm na de afslag, raakt dan wel geraakt heeft.
        2. Baan 2
          1. De grenslijn geldt als gepasseerd, wanneer de bal met zijn raakvlak de grenslijn, 50 cm na de afslag, raakt dan wel geraakt heeft.
          2. Evenwijdig aan de steen dienen op 7 cm afstand hulplijnen te worden aangebracht, de hoekpunten van de steen dienen met de hoekpunten van de zo ontstane rechthoeken te worden verbonden (diagonalen). De bal kan binnen het zo ontstane trapezium loodrecht op de rand van de steen uitgelegd worden. Raakt het raakvlak van de bal een van de diagonalen, dan kan de bal op het hiermee in verbinding staande hoekpunt worden gelegd. Het is verboden de bal over de steen heen te slaan.
        3. Baan 3
          Het einde van de hindernis is gelijk aan de hindernis-uitgang (grenslijn).
        4. Baan 4
          Het einde van de hindernis is gelijk aan de hindernis-uitgang (grenslijn).
        5. Baan 5
          1. Direct achter de laatste hindernis (steen) en loodrecht op de baanbegrenzing dient de grenslijn te worden aangebracht. De hindernis is gepasseerd, wanneer de bal deze lijn met zijn raakvlak raakt, dan wel geraakt geeft.
          2. Ligt de bal binnen 20 cm afstand van het schuine vlak, dan kan hij tot op deze afstand recht op het schuine vlak uitgelegd worden. Langs het schuine vlak dient op 20 cm afstand een lijn te worden aangebracht.
        6. Baan 6
          De hindernis geldt als gepasseerd, wanneer de bal over de kuil heen gesprongen is. Op banen met matten moet de bal over de mat heen gesprongen zijn, wat betekent dat de bal de mat niet mag raken.
        7. Baan 7
          1. De palen voor de hindernisbegrenzing worden op de heuvel geplaatst, op de raaklijnen tussen afslag en cirkel.
          2. De speelveldbegrenzing is:
            • de top van de heuvel (grenslijn)
            • de rechte verbindingslijn tussen de linkse paal met het meest linkse deel van de cirkelafscherming
            • de achterste baanafscherming bestaande uit net, omheining, muur, enz.
            • de rechte verbindingslijn tussen de rechtse paal met het meest rechtse deel van de cirkelafscherming
          3. Op de afslag, evenals op elk ander punt van de baan (uitgezonderd in de cirkel), mag de bal op een verhoging gelegd worden.
          4. De hindernis is gepasseerd, wanneer de bal de top van de heuvel tussen twee door palen gemarkeerde punten gepasseerd heeft. De palen moeten ongeveer 10 tot 12 cm breed, en ongeveer 2 m hoog zijn. De beide punten op de top van de heuvel worden bepaald door de raaklijnen tussen de afslagmarkering (30 cm doorsnee) en de cirkel. De breedte van de doorgang in het afschermingsnet bij de afslag wordt ook door deze raaklijnen bepaald. Deze doorgang mag naar beneden en naar boven niet begrensd zijn.
          5. De bal welke na passeren van de hindernis en binnen het speelveld tot rust is gekomen, moet vanaf het punt waar deze is blijven liggen verder gespeeld worden. Het in de cirkel leggen van de bal met berekening van een extra slag is niet meer toegestaan.
          6. Verlaat de zich in het spel bevindende bal de baan (ook wanneer hij weer op het speelveld terug komt) nadat hij de grenslijn correct heeft gepasseerd, dan moet verder worden gespeeld, met inachtname van de uitlegregels, vanaf de plaats waar hij als laatste het speelveld verlaten heeft. Komt de bal binnen een afstand van 30 cm van de achterste baanafscherming te liggen dan mag hij met zijn raakvlak tot deze afstand haaks worden uitgelegd.
          7. Voor baan 7 gelden ook de algemene normalisatiebepalingen.
          8. Wanneer bij baan 7 vertragingen optreden die de normale afloop van het toernooi in gevaar brengen, kan de scheidsrechter de volgende uitzondering van toepassing verklaren: alle spelers van een groep spelen de bal eerst over de grenslijn. Een scheidsrechter of baanrechter markeert de ligging van de bal, zodra deze tot stilstand is gekomen en bewaart hem. Daarna beëindigt degene die het dichtst bij de hole ligt het spel als eerste. Idem de volgende. De scheidsrechter of baanrechter legt daartoe de bal voor de desbetreffende speler op de gemarkeerde plaats.
        8. Baan 8
          Komt de bal met het raakvlak binnen 20 cm van de basis van de kegel tot rust, dan kan hij tot op deze afstand uitgelegd worden. Rondom de kegel dient op deze afstand een lijn te worden aangebracht.
        9. Baan 9
          De grenslijn wordt aan en einde van de uitgang van de hindernis aangebracht. De hindernis geldt als gepasseerd, wanneer de bal met zijn raakvlak de grenslijn raakt dan wel geraakt heeft.
        10. Baan 10
          De bal moet de baan tussen de heuvels raken. De grenslijn bevindt zich net na de top van de laatste heuvel. Op 30 cm na de heuvel ligt de 30 cm lijn.
        11. Baan 11
          1. De hindernis geldt als gepasseerd, wanneer de bal het begin van de muur voorbij is. De grenslijn dient loodrecht tussen baanbegrenzing en het begin van de muur te worden aangebracht.
          2. De aan de buitenkant van de muur liggende baanhelft moet aan beide zijden te worden afgesloten.
        12. Baan 12
          De hindernis geldt als gepasseerd, wanneer de bal de steen in de knik van de baan voorbij is. Direct achter deze steen dient de grenslijn loodrecht op de schuine muur te worden aangebracht.
        13. Baan 13
          Direct achter de laatste steen loodrecht op de baanbegrenzingen wordt de grenslijn aangebracht. De hindernis is gepasseerd, wanneer de bal met zijn raakvlak deze grenslijn raakt dan wel geraakt heeft. Ligt de bal binnen een afstand van 20 cm van het schuine vlak, dan mag de bal tot deze afstand loodrecht op het schuine vlak uitgelegd worden. Langs het schuine vlak dient op een afstand van 20 cm een lijn te worden aangebracht.
        14. Baan 14
          De hindernis geldt als gepasseerd, wanneer de bal de laatste steen voorbij is. Loodrecht op de baanbegrenzing dient hier de grenslijn te worden aangebracht.
        15. Baan 15
          1. De hindernis is gepasseerd, wanneer de bal de opbouw bereikt heeft. Blijft de bal in de doorgang van de hindernis liggen, dan dient opnieuw vanaf de afslag te worden gespeeld. Aan het einde van de doorgang dient de grenslijn te worden aangebracht. Blijft de bal op de opbouw liggen, dan kan hij verder gespeeld worden vanaf de plaats waar hij is blijven liggen, dan wel vanaf een hulpafslag. Het midden van de hulpafslag ligt in het midden van de opbouw op 30 cm afstand van de doorloop. Heeft de opbouw uitspringende delen, dan dient de 30 cm vanaf het uitspringende deel berekend te worden. De hulpafslag heeft een doorsnede van 8 cm.
          2. De bal moet de opbouw in het midden, op de hiervoor voorziene plaats, verlaten. Wordt de opbouw op een andere manier verlaten, dan dient de bal vanaf de hulpafslag verder te worden gespeeld.
        16. Baan 16
          Het einde van de hindernis valt samen met de uitgang van de pijp (grenslijn).
        17. Baan 17
          Het einde van de hindernis valt samen met de achterkant van de opbouw.
        18. Baan 18
          1. Aan de voorwaarde van deze baan is voldaan, indien de bal in de opvangkast tot rust komt.
          2. Baan 18 wordt alleen vanaf de afslag gespeeld.
        19. Banen 5, 12, 13 en 14
          Bestaan de hindernissen uit losse stenen, dan moet de plaats van deze stenen met verf aangegeven worden.
        20. Hindernisbanen2
          De banen 1 en 2 zijn banen zonder hindernisopbouw, de banen 3 t/m 18 zijn banen met hindernisopbouw.
      2. Nederlands systeem
        1. De volgende banen hebben géén hindernisopbouw: rechte baan, spar, zigzag èn versmalling.
        2. De correcte loop van de bal
          • Dubbele heuvel: de bal heeft de correcte weg afgelegd, wanneer hij beide heuvels heeft gepasseerd en het middendeel tussen beide heuvels geraakt heeft. Blijft de bal tussen de twee heuvels liggen zonder de hindernis gepasseerd te hebben, dan moet opnieuw vanaf de afslag gespeeld worden.
          • Vulkaan: blijft de bal bij de hindernis liggen, dan mag hij tot op 20 cm afstand uitgelegd worden.
          • Konijnehol: door de pijp. Het einde van de hindernis is gelijk aan de hindernisuitgang (grenslijn).
          • Drie poortjes: de bal moet in één keer de weg tussen de drie muren afleggen. Wanneer de bal tussen de muren blijft liggen en de grenslijn niet bereikt heeft, dan dient vanaf de afslag verder gespeeld te worden.
          • Schans: de hindernis geldt als correct gepasseerd, wanneer de bal over de bak heen gesprongen is (het raken van de bakrand is toegestaan). De grenslijn ligt direct achter de bak. Wanneer geen bak aanwezig is, dient de grenslijn op 50 cm afstand vanaf de schans getrokken te worden. In dit geval mag de bal de baan tussen schans en grenslijn niet raken.
          • Steile schans: de hindernis geldt als correct gepasseerd, wanneer de bal over de bak heen gesprongen is (het raken van de bakrand is toegestaan). De bal mag de binnenkant van de bak niet raken. De grenslijn ligt direct achter de bak. Wanneer geen bak aanwezig is, dient de grenslijn op 50 cm afstand vanaf de schans getrokken te worden. In dit geval mag de bal de baan tussen schans en grenslijn niet raken.
          • Brug: de hindernis is correct gepasseerd, wanneer de bal door de ingang èn door de uitgang is heengegaan en binnen de baanbegrenzing is gebleven.
          • Kasteel: door de pijp of via de zijpoorten en opbouw. De grenslijn loopt direct achter de muur met zijpoorten van de opbouw. De hindernis is correct gepasseerd indien de bal de grenslijn gepasseerd of geraakt heeft. Indien de bal in de hindernis blijft liggen, wordt deze 30 cm na de uitgang van de hindernis uitgelegd en verder gespeeld.
          • WC: blijft de bal bij de hindernis liggen, dan mag hij tot 20 cm afstand loodrecht op de hindernis uitgelegd worden. De buisomranding maakt deel uit van de hindernis.
          • Salto: de hindernis is correct gepasseerd, wanneer de bal door de ingang èn door de uitgang is heengegaan. Ook een van de ingang in de uitgang gesprongen bal, die niet de eigenlijke salto doorlopen heeft, is correct gespeeld wanneer de bal door de uitgang gaat. Is echter de bal over de buitenwand van de hindernis gesprongen, dan is de juiste gang verlaten.
          • Steile wand: baan zonder grenslijn.
            Voor de overige banen is de correcte loop van de bal niet vastgelegd.
        3. De banen mogen door de speler betreden worden. Vervuiling van de baan dient men te vermijden.
      3. Stergolf
        VERVALLEN
      4. Zweeds vilt
        1. Algemene bepalingen
          1. Verlaten van de baan
            Zie hoofdstuk VII.5, VII.7.1.1 en VII.7.1.2 en VII.14d.2.4.
          2. Bal bij hindernis of tegen de band, reglement hoofdstuk Vil.7.1.3:
            1. Blijft een bal die zich in het spel bevindt bij een hindernis liggen, dan mag hij parallel aan de band (in lengte richting) 50 cm uitgelegd worden, wat betekent:
              • In richting van de kopplaat (hole), als de tot stilstand gekomen bal de hindernis volledig gepasseerd heeft.
              • In richting van de afslagplaat, als de tot stilstand gekomen bal de hindernis niet of niet volledig gepasseerd heeft.
            2. Blijft een bal die zich in het spel bevindt tussen de band en de uitleglijn liggen dan moet hij rechthoekig t.o.v. de band op de uitleglijn uitgelegd worden.
        2. Speciale baan of hindernistvpen
          1. Hindernis type 8 en 14:
            Blijft een bal die zich in het spel bevindt op de punt van een speciale hindernis liggen,
            (bijvoorbeeld hindernis type 8 en 14) moet hij opnieuw vanaf de afslagplaat gespeeld worden.
          2. Hindernis type 4 (Duitse oploop), Hindernis type 24 (Zweedse oploop)
            1. Blijft een bal die zich in het spel bevindt dichter als 20 cm van het begin van de oploop liggen dan kan hij tot 20 cm parallel t.o.v. de band (in lengterichting) afgelegd worden.
            2. Blijft een bal die zich in het spel bevindt dichter als 20 cm langs de Zweedse oploop liggen, kan de bal rechthoekig t.o.v. de oploop tot maximaal 20 cm uitgelegd worden.
            3. Blijft een bal op het hoogste punt van de oploop liggen, moet hij in de lengte richting
              20 cm voor de oploop uitgelegd worden en van daaruit worden verder gespeeld.
            4. Verlaat een bal, gespeeld vanaf de afslag, de baan (bijvoorbeeld hindernis type 4:
              Duitse oploop), moet deze opnieuw vanaf de afslag gespeeld worden.
          3. Hindernis type 12 (Heuvel)
            De bal moet altijd verder gespeeld worden van daar, waar hij tot stilstand gekomen is.
            Indien de bal tot achter de afslag markering terugloopt, moet de bal vanaf de afslagplaat verder gespeeld worden. Blijft hij op de heuvel liggen, mag hij parallel t.o.v. de band tot de uitleglijn in die richting uitgelegd worden vanwaar hij vandaan komt. De bal mag ook verder gespeeld worden van waar hij is blijven liggen. De bal bevindt zich na een slag vanaf de afslagplaat altijd in het spel, behalve als hij tot achter de afslagplaat terug loopt.
            De bal moet volgens de uitlegregels van die kant van de heuvel verder gespeeld worden van waar hij de baan verlaten heeft. Als een bal de baan op het hoogste punt heeft verlaten moet hij aan die kant vanwaar hij vandaan is gekomen uitgelegd worden. De hulplijnen voor het afslagveld heeft zijn geldigheid als een bal over de lijn terugloopt en tussen afslaglijn en hulplijn blijft liggen. In dit geval moet de bal vanaf de afslagplaat verder gespeeld worden.
          4. Het over de banden springen van de bal binnen de baan:  als een bal die zich in het spel bevindt over de hindernis springt, (bijvoorbeeld hindernis type 8: de terugwerper) moet hij vanaf de afslagplaat verder gespeeld worden.
          5. Hindernistype 16 (Versmalling)
            Blijft de bal in de hindernis liggen, dan moet hij verplicht in de richting van de afslagplaat uitgelegd worden.
        3. Grens- en uitleglijnen:
          1. Grenslijn
            Terugloop van de bal achter de grenslijn op banen met een oploop
            Als een bal die de grenslijn correct gepasseerd heeft en in het verdere speelverloop terua over de grenslijn loopt, of de grenslijn raakt en blijft liggen, of de baan verlaat moet hij vanaf de grenslijn verder gespeeld worden
          2. Uitleglijnen
            Uitleglijnen moeten 50 cm voor en achter de desbetreffende hindernis en 20 cm vanuit de band, zoals de tekeningen aangeven, worden aangebracht. De uitleqreqels zijn in hoofdstuk VII.7 en onder VII.14.1d.1.2 vastgelegd.
        4. Het aanbrengen van grenslijnen vanaf de afslagplaat op vlakke banen met hindernis
          1. Als de hindernis 5 meter of verder vanaf de afslagplaat ligt, bevindt zich de grenslijn 50 cm vanaf de afslagplaat.
          2. Als de hindernis minder dan 5 meter vanaf de afslagplaat ligt, bevindt zich de grenslijn bij de 1 e hindernis (geldt alleen voor banen met een hindernis). In dit geval hoort de grenslijn achter de hindernis, richting kopplaat, geplaatst te worden 
    2. Afdeling 2
      1. Banen zonder grenslijn, alleen vanaf de afslag te spelen zijn; net, schelp, labyrint, vulkaan, cirkelplateau, oploop met V, oploop zonder V, oplopende cirkel zonder tunnel en oplopende cirkel met V.
      2. De volgende banen hebben geen hindernisopbouw: rechte baan, hoek en zigzag.
      3. De baanranden mogen bij elke slag alleen met de toppen van de voet betreden worden, de hakken moeten buiten de baan op de grond staan.
        • Toegestaan is:  het op de baan gaan staan om de bal uit de hole te halen bij 'net', 'vulkaan' en 'schelp'. Het los maken van het grind (zacht) in de 'schelp'.
        • Niet toegestaan is:  het betreden van de baan en het over de baan heen springen.
      4. Bij de piramiden, heuvel, tunnel, rechte baan, rechte baan met hindernissen, hoek, stompe kegels en zigzag mag een bal die de grenslijn niet gepasseerd heeft, pas dan opgepakt worden, wanneer vaststaat dat de bal deze lijn uit eigen beweging in geen geval meer kan overschrijden. Hetzelfde geldt voor de zich in het spel bevindende bal, die bij de piramiden, rechte baan met hindernissen en stompe kegels achter de grenslijn terugloopt.
      5. Verder gelden de volgende uitzonderingsbepalingen
        • Tunnel: wanneer de bal vanuit de cirkel komend de grenslijn passeert, dan mag deze opgepakt worden.
        • Heuvel: blijft de bal op de heuvel liggen, dan kan hij evenwijdig aan de band tot op de uitleglijn in die richting verplaatst worden, van waaruit hij gekomen is. Hij mag ook vanaf het punt op de heuvel gespeeld worden waar hij is blijven liggen. Verlaat de bal de baan precies op de top, dan dient hij in die richting uitgelegd te worden, waaruit hij gekomen is.
      6. Bijzondere bepalingen met betrekking tot het doel
        • Het doel bij de vulkaan:  het cirkelplateau (zie Appendix A.3).
        • Het doel bij het labyrint:  de hele punt waar het doel zich bevindt (zie Appendix A.3).
        • Het doel bij het net:  de binnenkant van het net.
      7. De correcte loop van de bal
        • Salto: door de salto. Verklaring: daar de loop van de bal in de salto niet altijd te controleren is, geldt de hindernis als gepasseerd, wanneer de bal de ingang èn de uitgang correct gepasseerd heeft. Ook een van de ingang naar de uitgang gesprongen bal, die de eigenlijke salto niet doorlopen heeft, geldt als correct, wanneer deze de uitgang correct verlaten heeft. Is de bal echter over de buitenwand van de hindernis gesprongen, dan is de correcte weg verlaten.
        • Tunnel: door de tunnel, dan wel rechts langs de tunnel.
        • Slak: door de slak. Verklaring: de bal moet de ingang en de hele slak doorlopen tot aan de grenslijn. De bal heeft de correcte weg verlaten, wanneer hij voor de grenslijn aan de zijkant de slak verlaat, of de weg in de slak niet in zijn geheel doorloopt.
        • Net: de directe weg vanaf de afslag over de schans in het net.
        • Rechte baan met venster: door de poort.
        • Rechte baan met hindernissen: Tussen de hindernissen door. De bal mag niet over dehindernissen heenspringen.
        • Koker: alleen door de koker.
        • Labyrint: door de tweede ingang van rechts. Verklaring: de overige ingangen moeten zodanig afgesloten worden, dat geen bal via deze ingangen in de hole kan komen.
        • Oploop met V: de bal mag niet over de benen van de V heenspringen; verder naar believen.
          Voor de overige banen is de correcte loop van de bal niet vastgelegd.
      8. Uitleggen
        • Piramiden: verklaring: is de bal in sector B (zie tekening Appendix A.3) blijven liggen, dan kan hij tot op 20 cm afstand van de punt van de piramide worden uitgelegd. Is de ruimte tussen hindernis en band te klein om uit te leggen, dan geldt de volgende regeling: is de bal voor de smalste plaats tussen piramide en band blijven liggen, dan kan hij voor de vernauwing (in richting afslag) tot op 20 cm afstand van de band uitgelegd worden. Is de bal achter de smalste plaats of op de markering A (zie tekening Appendix A.3) blijven liggen, dan kan hij achter de vernauwing (in de richting van de cirkel tot op 20 cm afstand van de band uitgelegd worden.
        • Salto: (uitleggen van een bal die bij de hindernis is blijven liggen) achter de hindernis: tot op 30 cm afstand van het einde van de uitgang evenwijdig aan de band.
        • Tunnel: (uitleggen van een bal die bij de hindernis is blijven liggen) achter de hindernis: tot op 30 cm afstand van het verste uitsteeksel aan de hindernis in de richting van de hole.
        • Slak: (uitleggen van de bal die bij de hindernis is blijven liggen) achter de hindernis: tot op 30 cm afstand van het einde van de uitgang evenwijdig aan de band.
        • Rechte baan met venster: (uitleggen van de bal die bij de hindernis is blijven liggen) achter de hindernis tot op 20 cm afstand loodrecht op de band.
        • Rechte baan met hindernissen: na het correct passeren van de grenslijn mag een bal welke buiten de cirkel of de twee vakken ligt worden uitgelegd. Bij dit uitleggen mag geen der stippellijnen worden overschreden. Een bal welke na het correct passeren van de grenslijn over de grenslijn terugloopt wordt uitgelegd volgens de uitlegregels.

      N.B. per 1-1-2010 zijn bij een aantal banen nieuwe grenslijnen vastgelegd; de dubbele heuvel (net na de top van de tweede heuvel), de brug (net na de top van de heuvel), de stompe kegels (net na de top van de tweede kegel) en de passage (1e / 3e / 5e inloop net na de top van het tweede heuveltje en bij de 2e / 4e inloop net na de top van de heuvel).

1Vertaling WMF reglement
2Aanvulling FNMB



| Top of page | LET OP | Inhoudsopgave
| homepage FNMB |